Nieuwe Rijkswet moet uitlevering in Caribisch deel Koninkrijk moderniseren

DEN HAAG/WILLEMSTAD – Het Koninkrijk der Nederlanden werkt aan een volledig nieuwe Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Daarmee verdwijnen de huidige uitleveringsregels die nog grotendeels gebaseerd zijn op het oude koloniale Curaçaosch Uitleveringsbesluit uit 1926. De nieuwe wet moet de uitleveringspraktijk juridisch moderniseren en steviger verankeren binnen het Koninkrijk.
De wetsvoorstellen en toelichtende documenten zijn inmiddels aangeboden aan de Tweede Kamer, de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Volgens de memorie van toelichting is de nieuwe rijkswet vooral noodzakelijk geworden door een wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk die op 1 januari 2024 in werking trad. Sindsdien mogen zelfstandige algemene maatregelen van rijksbestuur slechts tijdelijk bestaan en moeten Koninkrijksaangelegenheden uiteindelijk wettelijk worden vastgelegd via een formele rijkswet.
De regering benadrukt dat de dagelijkse uitleveringspraktijk inhoudelijk grotendeels gelijk blijft. De bestaande regels worden “zo veel mogelijk zonder inhoudelijke wijzigingen” overgenomen uit het huidige Uitleveringsbesluit. Wel worden verschillende onderdelen gemoderniseerd, verduidelijkt en aangepast aan recente jurisprudentie van de Hoge Raad.
Mensenrechten
Belangrijk onderdeel van de nieuwe wet is dat meerdere mensenrechtenwaarborgen expliciet worden vastgelegd. Zo wordt uitlevering verboden wanneer sprake kan zijn van discriminatoire vervolging op grond van religie, politieke overtuiging, ras of nationaliteit. Ook kunnen leeftijd, gezondheidstoestand of bijzondere hardheid redenen vormen om uitlevering te weigeren.
Daarnaast wordt het zogenoemde ne bis in idem-beginsel wettelijk vastgelegd. Dat betekent dat iemand niet opnieuw kan worden uitgeleverd voor feiten waarvoor al eerder definitief is geoordeeld.
Ook de bescherming bij verstekvonnissen wordt aangescherpt. Uitlevering voor de uitvoering van een straf mag alleen plaatsvinden wanneer de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad – of alsnog krijgt – om zich te verdedigen.
De wet maakt daarnaast duidelijker welke rol de verschillende instanties binnen de uitleveringsprocedure spelen. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie blijft verantwoordelijk voor de rechterlijke beoordeling van de toelaatbaarheid van uitlevering, terwijl de Gouverneur uiteindelijk beslist of uitlevering daadwerkelijk wordt toegestaan of geweigerd.
Terrorismebestrijding
Opvallend is dat in de nieuwe regeling veel aandacht uitgaat naar terrorismebestrijding. Politieke delicten blijven normaal gesproken uitgesloten van uitlevering, maar voor terrorismezaken geldt een uitgebreide uitzonderingslijst. Daaronder vallen onder meer terroristische bomaanslagen, financiering van terrorisme, nucleair terrorisme en misdrijven tegen de veiligheid van luchtvaart en zeevaart.
Verder blijft het uitgangspunt bestaan dat Nederlanders in principe niet worden uitgeleverd. Daarop geldt alleen een uitzondering wanneer voldoende is gegarandeerd dat een veroordeelde een eventuele gevangenisstraf uiteindelijk in het eigen land mag uitzitten.
De Raad van State van het Koninkrijk heeft geen inhoudelijke bezwaren tegen het voorstel gemaakt. Wel zijn naar aanleiding van adviezen van onder meer het Gemeenschappelijk Hof, het Openbaar Ministerie Carib en de Orde van Advocaten van Curaçao verschillende verduidelijkingen en aanvullingen aangebracht in de wet en de memorie van toelichting.




































